Nederlandse overwinningen in de TT zijn zeldzaam, héél zeldzaam. Enkel Wil Hartog, Jack Middelburg, Paul Lodewijkx, Egbert Streuer, Bernard Schnieders en Hans Spaan hebben het Wilhelmus laten klinken op Grand Prix-niveau in Assen. Toch zijn er talloze andere unieke en soms bijna vergeten Nederlandse TT-momenten. Momenten waarop alles perfect samenviel, of juist nét niet. Prestaties die minstens zo indrukwekkend waren als een Grand Prix-zege. Ter ere van het 100-jarig bestaan van de TT in Assen sprak Moto73 met acht Nederlanders die een bijzonder TT-verhaal te vertellen hebben.
Theo Bult is de enige Nederlander die ooit twee keer op één dag op het TT-podium stond. Winnen deed hij niet in 1971, maar dat was geen schande met legendes als Giacomo Agostini, Phil Read en Jarno Saarinen in het veld. De inmiddels 80-jarige Bult racete slechts vier seizoenen, maar liet in die korte periode een onuitwisbare indruk achter. De voormalig coureur uit Twente spreekt bescheiden over zijn successen, maar aan de hand van een paar eenvoudige voorbeelden wordt al snel duidelijk hoe ongelooflijk getalenteerd hij was.
We schrijven 26 juni 1971, een bijzondere dag in de geschiedenis van de TT Assen. Had je toen al door dat je met je twee podiumplaatsen iets unieks had gepresteerd?
‘Ik besefte wel dat het bijzonder was. Het ging die dag gewoon erg goed. Ik werd derde in de 350cc en later tweede in de 250cc. Qua materiaal was het een prachtige tijd. Iedereen – behalve Giacomo Agostini met zijn MV Agusta – reed eigenlijk met dezelfde motorfiets. De komst met de productieracers van Yamaha’s hadden ervoor gezorgd dat het niveau dichter bij elkaar kwam te liggen, waardoor de rijder echt het verschil kon maken. Je had in die tijd ook een beetje mazzel nodig, omdat er veel meer rijders uitvielen dan tegenwoordig. Ik blijf liever bescheiden en zie het zo: ik heb die dag goed gereden, maar ook geluk gehad.’
Dat is wel erg bescheiden, want het is een indrukwekkende prestatie. En dat terwijl je pas in 1968 met racen begon.
‘Ik had een Ducati Mach 1 waarmee ik op de straat reed. Toen ik in 1968 wilde gaan racen, heb ik die motor met zeer bescheiden middelen omgebouwd tot racemotor. Ik was toen 23 jaar. In mijn eerste seizoen was ik constant de beste viertaktrijder. Mijn doorbraak kwam denk ik in Hengelo, waar ik mocht rijden op een 350cc-Honda van Gerrit Filart bij de Internationalen. Die race won ik meteen. Zo kwam ik in beeld bij Ton Riemersma. Hij richtte samen met Hans Moerkerk zijn eigen raceteam op onder de naam Motorpaleis Riemersma Racing Team. Een aantal rijders – waaronder Wil Hartog – ging rijden bij de Internationalen. Ik kwam in 1969 voor het team uit bij de Nationalen. Eerst reed ik alleen in de 350cc voor Riemersma, maar na een blessure van een andere rijder mocht ik ook voor hen uitkomen in de 250cc. En zo werd ik in 1969 Nederlands dubbelkampioen.’
En dat al in je tweede jaar!
‘Achteraf ging het misschien wel iets te snel allemaal. Maar in die tijd was er bijna elk weekend een wedstrijd. Met een kleine aanhanger trokken we overal naartoe. Tentje mee, op zaterdag trainen, ’s avonds het dorp in voor een pilsje en op zondag de wedstrijden racen. Ik was de jongste thuis en woonde als enige nog bij mijn moeder. En elke keer als ik thuiskwam, was ze nog net zo wit als toen ik een paar dagen eerder vertrok. Ze vond het eigenlijk maar niks. Ze zei ook altijd in het plat Twents voordat ik naar een race ging: “Als een ander denkt dat-ie harder kan, dan laat ze maar mooi jagen.”’
In 1970 reed je al je eerste Grand Prix.
‘Dat was op de oude Nürburgring. Wat een circuit was dat, toen nog 28 kilometer lang. Ik heb het samen met Leo Commu van tevoren verkend. Op mijn slaapkamer had ik een plattegrond van het circuit hangen, zodat ik het in ieder geval een beetje zou kennen. Het ging verrassend goed. Na de start kwam je meteen in een bochtig stuk en daar reed ik op kop. Na driekwart ronde lag ik nog steeds eerste, tot er na een afdaling een bocht kwam. Ik schakelde terug, maar schoot per ongeluk in de vrij. Dan gaat het ineens heel hard. Daar schrok ik van en kneep iets te hard in de rem. De baan was ook nog wat vochtig, waardoor ik onderuit schoof. Vanuit de berm zag ik vervolgens alle coureurs aan mij voorbij razen.’
Heel bijzonder: op kop in je eerste Grand Prix. Later in 1970 reed je ook je eerste TT Assen.
‘Ik vond het geweldig. Het rennerskwartier was toen nog heel open. Rijders en monteurs zaten gewoon in het gras te sleutelen. Daardoor waren de coureurs nog echt benaderbaar. Ik herinner me ook nog dat elke rijder zich persoonlijk moest aanmelden bij het TT-secretariaat. Dat gebeurde bij Jan Weggemans, een kleurrijk figuur. De inschrijving vond plaats boven een café in het centrum van Assen. Ik had toen al een manager, maar ik moest daar zelf naartoe. Zelfs grootheden als Giacomo Agostini en Phil Read moesten zich daar persoonlijk melden. Het was voor mij destijds echt geweldig om tegen die helden te mogen racen.’
100 jaar TT Assen: de droomweek van Bert Smit
Hoe gingen de races?
‘Ik reed zowel in de 250cc als de 350cc. Maar een thuisvoordeel had ik niet, want ik had nog nooit op Assen gereden. Daar werden namelijk geen nationale races gehouden. Tijdens de eerste training reed ik nog met standaard Yokohama-banden, een verschrikkelijke band. Ik ging meteen onderuit in de Strubben. Daarna hebben we in Assen peerbanden van Dunlop gekregen, dat waren toen dé banden die je moest hebben. In de 250cc werd ik achtste. Ik weet nog dat ik daar blij mee was. In de 350cc streed ik met Kent Anderson om de vijfde plek, maar toen scheurde de uitlaat van voor naar achter. Het vermogen was weg en toen ben ik gestopt.’
Een jaar later (1971) stond je twee keer op het podium in Assen. Had je daar vooraf rekening mee gehouden?
‘Het was in 1970 erg goed gegaan op de stratencircuits. Ik won mijn thuisrace in Tubbergen en vervolgens ook in Hengelo en Raalte. Dat was in Assen een voordeel, omdat het toenmalige circuit ook wel wat op een stratencircuit leek: het was smal en je had een vergelijkbare rijstijl nodig. Ik vond het deel van de Bedeldijk naar de Strubben fantastisch. Vooral de knik voor de Strubben was geweldig, daar kon het publiek heel dichtbij de baan komen. Ik weet nog dat ik later, in de jaren 80, tijdens een Historic TT-race op donderdagavond daar een keer een bierblikje tegen mijn helm kreeg. In 1971 had ik wel het gevoel dat ik het goed kon doen in Assen, maar ik zag mezelf niet als kandidaat voor de overwinning. Al dacht Chas Mortimer (collega-coureur) daar anders over. Hij zei tegen mij: “You can win the Dutch TT”. Maar Agostini en Read waren in die tijd te snel. Maar mijn Yamsel liep ook erg goed. Samen met mijn kameraad Gerrit Wilmink prepareerden wij de motor zelf. Dat was een motor met een Yamaha-blok en een Seeley-frame. Vandaar de naam Yamsel.’
Wat weet je nog van de races?
‘Het begon met de 350cc. Ik had niet zo goed getraind. Agostini was met zijn MV Agusta veel te snel en daarachter kwam Read met zijn Yamaha. Ik raakte in gevecht met Jarno Saarinen en Paul Smart voor de derde plaats. Maar ze vielen beiden uit en zo pakte ik mijn eerste podiumplaats van de dag. Veel tijd om daarbij stil te staan had ik niet, want even later was het tijd voor de 250cc. Daarin was Read de sterkste. Ik streed met Dieter Braun om de tweede plaats. We wisselden meerdere keren van positie, maar uiteindelijk lukte het me om hem achter me te houden.’
En toen mocht je twee keer naar het podium.
‘Ja, heel mooi. Dat ging anders dan tegenwoordig. In Assen werd alleen de winnaar en de beste Nederlander gehuldigd. Na de 350cc-race stond ik dus met Agostini op het podium en bij de 250cc met Read. Ik weet nog dat Braun – die derde was geworden in de 250cc – ook de trap naar het podium opging, maar eraf werd gestuurd. Die werd toen heel kwaad! In die tijd was het overal anders geregeld met het podium. Bijvoorbeeld in Oost-Duitsland mocht de top-vijf naar het podium.’

Is deze TT je mooiste herinnering uit je carrière? En was het ook je beste race in de Grand Prix?
‘Het was een geweldige dag, maar mijn mooiste herinneringen heb ik aan Tubbergen. Dat komt omdat ik daar als kind al kwam. Voordat ik zelf racete, ging ik op de fiets naar Tubbergen om te kijken. In Weerselo kon je de motoren al ruiken; heerlijk! Qua Grand Prix heb ik, naast de TT in Assen, ook op de Sachsenring een hele sterke race gereden in de 350cc. Maar dat zag er in eerste instantie totaal niet naar uit.’
Daar horen we graag meer over.
‘De Yamsel liep kort voor de race op één cilinder. We probeerden van alles, maar kregen het niet opgelost. Ik besloot toch maar van start te gaan, want je moest minimaal één ronde rijden om je startgeld te krijgen. In de eerste ronde pruttelde ik wat over de baan, maar na driekwart ronde begon de motor ineens op beide cilinders te lopen. Ik lag al enorm ver achter, maar reed toch nog een ronde door en begon rijders in te halen. Uiteindelijk ben ik nog vierde geworden. Dat maakte indruk op de Oost-Duitsers, de omroeper was helemaal wild.’
Eind 1971 was je carrière ineens voorbij na een crash in Vessem. Wat gebeurde er?
‘Een jaar eerder was ik in dezelfde bocht ook al gecrasht. Toen remde Hartog zich kort achter mij onderuit en zijn motorfiets raakte daarbij de mijne. Wat er in 1971 gebeurde was ongelofelijk stom, want ik reed bijna een ronde voor op de rest in de 350cc-wedstrijd. Toch wilde ik vol doorgaan om het publiek te vermaken. Het wegdek was vrij nieuw en lag vol grind. Bij het accelereren ging het mis: ik crashte en vloog door de lucht. Ik kwam hard terecht, liep een rugfractuur op en moest drie maanden platliggen.’
100 jaar TT Assen – Wilco Zeelenberg: ‘Moest dat nou zo?’
Je was toen nog maar 26 jaar. Waarom ben je gestopt?
‘Ik dacht: waarom zou ik nog doorgaan? In die tijd ging het helaas ook weleens helemaal mis. Als je op de verkeerde plek crashte, kon het slecht aflopen. Ik heb mogen proeven van hoe het allemaal was en dat wilde ik graag. Ik heb een geweldige tijd gehad, waar ik tot op de dag van vandaag met heel veel plezier op terugkijk. Toen kort nadat ik gestopt was de watergekoelde Yamaha’s kwamen, baalde ik wel even. Want dat was een prachtige motor.’
Volg je de motorsport nog steeds?
‘Ik kijk nog wel races, maar zeker niet allemaal. De huidige MotoGP-motoren vind ik technisch geweldig. Elk jaar ga ik nog naar de TT Assen, maar het rennerskwartier hoef ik niet meer in. Ik mis daar de sfeer van vroeger. Toen kon je nog ergens binnenlopen, maar nu is alles afgesloten. Tijdens de TT wandel ik nu liever een rondje rondom het circuit. Daarnaast doe ik met mijn zoon Axel nog mee aan een aantal classic-evenementen. Ik heb zelf een replica van mijn Yamsel gebouwd. Dat blijft geweldig om mee te rijden!’
Foto’s: Archief Target Press, Henk Keulemans, Asse Klein
Oranje-gekleurde TT Assen |
Naast de twee podiumplaatsen van Theo Bult waren er meer Nederlandse successen tijdens de TT Assen van 1971. Rob Bron reed naar een sensationele tweede plaats in de 500cc achter Giacomo Agostini. In de 50cc finishten zelfs drie Nederlanders in de top vier: Jos Schurgers werd tweede, gevolgd door Teunis Ramaker en Jan Bruins. De winst ging naar de Spanjaard Ángel Nieto. |
Wist je dat… |
Theo haalde in alle twaalf Grand Prix-races de finish. Vijf keer in de 350cc en zeven keer in de 250cc – eindigde hij altijd in de top acht! In 1971 eindigde Theo op een vierde plaats in het 350cc-wereldkampioenschap. Door veel kenners werd de Nederlander wat puur talent betrof vergeleken met de legendarische en veel te vroeg overleden Fin Jarno Saarinen, die in het jaar nadat Bult was gestopt (1972) 250cc-wereldkampioen werd. Wat was er gebeurd als Theo niet zo vroeg was gestopt? |
TT-resultaten van Theo Bult
Jaar | Klasse | Positie |
---|---|---|
1970 | 250cc | P8 |
1970 | 350cc | DNF |
1971 | 250cc | P2 |
1971 | 350cc | P3 |